Spagaat (dl II van Nachtwerk)


‘Euhm, ik denk, euhm, ik voel dat de baby komt.’
Jeanine.
En dat een krappe vijf minuten na de vorige melding.
Ze klinkt net zo rustig als bij haar eerste telefoontje, alleen hoor ik er geen lachje meer achteraan. Ik denk, nee toch zeker, waar zou Saskia ongeveer zijn? Ik vraag of ze de deur werkelijk van het slot heeft, of haar man al thuis is, of ze boven is, of ze ligt, of haar vliezen intussen gebroken zijn, en dan hoor ik hoe ze overgaat in kreunen en hijgen, en hoe ze met geknepen stem mededeelt dat het komt.
‘Nee! Je blijft gewoon zuchten, zuchten, geen kracht zetten, rustig uitblazen.’
Jeroen staart mij verbaasd aan, Amanda tilt haar hoofd op en kijkt net zo verwonderd.
‘Ik mocht toch persen?’
Met mijn hand voor de hoorn van het mobieltje richt ik me tot Amanda: ‘Ja, jij mag persen, pers maar door.’ Dan knik ik naar Barbara, ze neemt de coachtaak over, en ik roep: ‘En jij zuchten!’ in de hoorn. Met een paar stappen sta ik in het tussenhalletje, twee soorten instructies door elkaar lijkt me niet handig. Amanda luistert naar Barbara, door de kier van het gordijn kan ik de vorderingen precies volgen, maar ik concentreer mij nu volledig op het telefoongesprek: ‘Zuchten, Jeanine, hou vol, uitblazen, gewoon uitblazen.’

Tussen de weeën door zeg ik dat ze het goed doet, dat ze moet blijven zuchten, dat ze geen kracht mag zetten, en zij vertelt mij op gedempte toon hoe ze ervoor staat. De vliezen zijn nog niet gebroken, tussen haar benen voelt ze de vochtblaas, denkt ze. Ze ligt op bed, en in de spiegel van de kastdeur ziet ze wat er vanonder gebeurt. Ze wil eigenlijk helemaal niet kijken, ze vindt het zo eng. Ik zie voor me hoe ze daar ligt, met de telefoon tegen het oor geklemd, starend naar haar spiegelbeeld en ik bedenk dat ik het beste kan helpen door haar continue te blijven bemoedigen.
‘Je doet het goed, rustig uitblazen, geen kracht zetten, als het uit je glijdt mag het, maar niet uit alle macht persen. Saskia is onderweg, ze zal er bijna zijn, ze weet precies waar ze moet zijn, ze is er zo, zuchten, pffffff, hou vol Jeanine, hou vol!’
Achter het gordijn beginnen Amanda, Jeroen en Barbara aan een volgende wee. Daar wordt geroepen van persen en volhouden. Ik help Jeanine al meezuchtend door die van haar heen.
‘Het komt hoor, het komt, ik voel het, uhrrgggg.’
‘Nee, Jeanine, uitblazen moet je, pfffff, zuchten, geen kracht zetten, gewoon uitblazen, je kan het, ik weet dat je het kan.’ Ik hoor haar weer zuchten, en ik doe met haar mee. ‘Goed zo, goed zo, hij zakt zo weer af, pffffff, hij zakt gewoon weer af, hoor je me Jeanine, en Saskia is er bijna, heus. Pffffffff.’
Wat kan er gebeuren als de baby zo direct geboren wordt? Als het niet meer tegen te houden is, als de vliezen breken, en het hoofdje komt eruit. Zal het omstrengeld zijn? Zal het haar lukken om het hele kindje naar zich toe te trekken? Zal het meteen huilen, oh, ik wilde dat ik daar was. Er zijn vrouwen die het juist helemaal zelf willen doen, maar die bereiden zich erop voor. Jeanine wordt hier overvallen door de snelheid, ze is in een achtbaan terecht gekomen waar ze sowieso al nooit alleen had willen instappen, en waar ze nu ook onmogelijk meer uit kan. Drie keer over de kop, met als enige houvast de mobiel aan haar oor. Hoeveel loopings hebben we nog te gaan?
‘Jeanine, hou vol.’

Nachtwerk


We zijn op de verloskamers in het Veluwe-ziekenhuis. Het is net half drie geweest en Amanda heeft persweeën, ze golven van kruin tot tenen door haar lijf. Behalve hoogzwanger is zij ook leerling-vroedvrouw en als ze me tussen twee golven door vraagt wat haar overkomt, moet ik lachen. Met grote blauwe ogen kijkt ze me aan, de mascara is uitgelopen, het lange haar plakt aan alle kanten langs het gezicht. Haar ene hand knijpt in die van Jeroen, de andere omklemt een spuugbakje. Ik haal moederlijk een nat washandje langs haar voorhoofd en de verhitte wangen en probeer subtiel de mascaraschade in te dammen.
‘Dit, Amanda, dit is nu, wat we reflectoire persdrang noemen.’
Ik betwijfel of ze mijn leermoment kan appreciëren, een volgende golf komt aangerold, haar neus duwt ze diep in het bakje, en ze roept, met stijgende wanhoop in de stem, dat ze moet persen. Waarbij het woordje per-sen er krachtig en langgerekt uitkomt. Ze zegt er ook meerdere keren “sorry” achteraan, tegen Jeroen omdat ze hem zo hard knijpt, tegen mij, omdat ze per ongeluk mee perst als de wee op zijn hoogtepunt is.
‘Amanda, daar kan je toch niets aan doen, dat is de natuur. Geef er maar aan toe.’
Het was ook al zo ongelofelijk snel hoe deze jonge meid de ontsluitingsfase had doorstaan. Het is heerlijk te zien hoe de natuur haar de benodigde persdrang geeft. Mijn “Geef er maar aan toe”-seintje is voor Amanda voldoende om zich zonder pardon in de volgende fase te storten. Ze gaat wat rechterop zitten, gooit met een zwiepende hoofdbeweging het haar achterover en pakt de benen in de knieholtes. Jeroen steunt haar in de nek, en voluit geeft ze toe. Zo zie ik dat graag en ik moedig haar aan: ‘Zet hem op meid, hartstikke goed, ga maar door.’ De verpleegkundige noteert secuur de begintijd van het persen. Kwart voor drie, en mijn geoefend oog ziet heel in de verte een bolletje met wat donkere haartjes erop verschijnen.
‘Tiedeliedie-tideliedom-tideliedie-tidelie-’
Dat is mijn telefoon.
Dat kan natuurlijk altijd, ook al is het in het midden van de nacht. Wie heeft mij nodig?
‘Met Jeanine, het is eigenlijk net begonnen, euhm, maar het zet al aardig door.’
Ze vertelt het me rustig en met een korte lach aan het eind van de zin. Ze praat zachtjes, ze wil niet dat hun dochtertje wakker wordt, en manlief zit in de nachtdienst. Jeanine,ik ken haar als een nuchtere montere dame, die tijdens alle spreekuurbezoekjes haar kleine meisje zonder mankeren op de heup meesjouwde. Het meisje is echt een schatje, een ondernemende peuter, met bruine krulhaartjes in verschillende parmantige staartjes op het hoofd en een ondeugende glimlach. En nu heeft moeders weeën, ligt dochter te slapen, is manlief niet thuis en ben ik hier. Hoe gaan we dit oplossen.
‘Mmmm…’ Ik herhaal het laatste stukje van de zin om wat tijd te rekken: ‘…dus het zet al aardig door… Mmm.’
Amanda voelt een volgende wee opkomen.
‘Mag ik persen, mag ik weer persen?’
Ze gooit het hoofd in de nek, het haar zwiept mee en ik gebaar naar Jeroen dat hij haar nek moet steunen, en ze perst alweer.
‘Goedzo, ga maar door.’
Terwijl Amanda perst, hoor ik Jeanine verder uit. Hoe staat ze ervoor, zijn de vliezen gebroken? Heeft ze haar man al kunnen bereiken, is ze beneden, of boven, is de voordeur open, of de achterdeur? Voelt het zoals bij het begin van haar eerste bevalling, of zoals bij het eind?
‘Euhm, het eind.’
In mijn herinnering verliep dat laatste stuk destijds razend snel.
Ik maak een optelsom van factoren, en trek de enig juiste conclusie: Saskia uit bed bellen. Arme Sas, zij had de afgelopen week al bijna iedere nacht een bevalling, terwijl mijn diensten zonder ook maar een enkel telefoontje verliepen. En nu, Saskia’s eerste vrije nachtje, hang ik aan de lijn. Ze klinkt iets slaperig, en verbaasd. Ze fluistert: ‘Wat is er?’ in de hoorn. Ja, wat zal er zijn? Ze hoort op de achtergrond pers- en coachgeluiden, en daar tussendoor mijn uitleg over het spagaat waarin ik me bevind. Ze belooft meteen naar Jeanine te gaan. Ik noem het adres en huisnummer een aantal keer nadrukkelijk achterelkaar. Dit in de wetenschap dat ikzelf vaak wat moeite heb met het onthouden, zeker in de gevallen waarin men mij zo abrupt uit de slaap rukt. Met schorre stem herhaalt ze mijn instructies, ‘Almanshof zestien, achterdeur is open. Ja, ja, ik heb het.’
Er zijn vast niet veel personen, die een dergelijk onsamenhangend gesprek, op dit tijdstip van de nacht, kunnen bevatten. Ik dank haar en wens haar succes.
’t Is goed, jij ook daar.’
Geregeld, een pak van mijn hart.
Het is vijf voor drie, en ook Jeroen ziet nu een bolletje met haartjes erop. ‘Goedzo, Amanda, perfect.’
We zijn een goed team, Jeroen aan de ene kant, ik aan de andere, naast mij Barbara, de verpleegkundige. We dragen natte washandjes af en aan, complimenteren Amanda, geven haar slokjes drinken, luisteren tussen door naar het hartje, en zwiep, daar gaan de haren weer, want daar komt een volgende wee.
‘Tiedeliedie-tideliedom-tideliedie-tidelie-’
Mijn telefoon? Alweer? Ik ruk mijn handschoen uit en neem snel aan. Wie heeft mijn nodig?
‘Euhm, ik denk, euhm, ik voel dat de baby komt.’
Jeanine.

:)