
‘Euhm, ik denk, euhm, ik voel dat de baby komt.’
Jeanine.
En dat een krappe vijf minuten na de vorige melding.
Ze klinkt net zo rustig als bij haar eerste telefoontje, alleen hoor ik er geen lachje meer achteraan. Ik denk, nee toch zeker, waar zou Saskia ongeveer zijn? Ik vraag of ze de deur werkelijk van het slot heeft, of haar man al thuis is, of ze boven is, of ze ligt, of haar vliezen intussen gebroken zijn, en dan hoor ik hoe ze overgaat in kreunen en hijgen, en hoe ze met geknepen stem mededeelt dat het komt.
‘Nee! Je blijft gewoon zuchten, zuchten, geen kracht zetten, rustig uitblazen.’
Jeroen staart mij verbaasd aan, Amanda tilt haar hoofd op en kijkt net zo verwonderd.
‘Ik mocht toch persen?’
Met mijn hand voor de hoorn van het mobieltje richt ik me tot Amanda: ‘Ja, jij mag persen, pers maar door.’ Dan knik ik naar Barbara, ze neemt de coachtaak over, en ik roep: ‘En jij zuchten!’ in de hoorn. Met een paar stappen sta ik in het tussenhalletje, twee soorten instructies door elkaar lijkt me niet handig. Amanda luistert naar Barbara, door de kier van het gordijn kan ik de vorderingen precies volgen, maar ik concentreer mij nu volledig op het telefoongesprek: ‘Zuchten, Jeanine, hou vol, uitblazen, gewoon uitblazen.’
Tussen de weeën door zeg ik dat ze het goed doet, dat ze moet blijven zuchten, dat ze geen kracht mag zetten, en zij vertelt mij op gedempte toon hoe ze ervoor staat. De vliezen zijn nog niet gebroken, tussen haar benen voelt ze de vochtblaas, denkt ze. Ze ligt op bed, en in de spiegel van de kastdeur ziet ze wat er vanonder gebeurt. Ze wil eigenlijk helemaal niet kijken, ze vindt het zo eng. Ik zie voor me hoe ze daar ligt, met de telefoon tegen het oor geklemd, starend naar haar spiegelbeeld en ik bedenk dat ik het beste kan helpen door haar continue te blijven bemoedigen.
‘Je doet het goed, rustig uitblazen, geen kracht zetten, als het uit je glijdt mag het, maar niet uit alle macht persen. Saskia is onderweg, ze zal er bijna zijn, ze weet precies waar ze moet zijn, ze is er zo, zuchten, pffffff, hou vol Jeanine, hou vol!’
Achter het gordijn beginnen Amanda, Jeroen en Barbara aan een volgende wee. Daar wordt geroepen van persen en volhouden. Ik help Jeanine al meezuchtend door die van haar heen.
‘Het komt hoor, het komt, ik voel het, uhrrgggg.’
‘Nee, Jeanine, uitblazen moet je, pfffff, zuchten, geen kracht zetten, gewoon uitblazen, je kan het, ik weet dat je het kan.’ Ik hoor haar weer zuchten, en ik doe met haar mee. ‘Goed zo, goed zo, hij zakt zo weer af, pffffff, hij zakt gewoon weer af, hoor je me Jeanine, en Saskia is er bijna, heus. Pffffffff.’
Wat kan er gebeuren als de baby zo direct geboren wordt? Als het niet meer tegen te houden is, als de vliezen breken, en het hoofdje komt eruit. Zal het omstrengeld zijn? Zal het haar lukken om het hele kindje naar zich toe te trekken? Zal het meteen huilen, oh, ik wilde dat ik daar was. Er zijn vrouwen die het juist helemaal zelf willen doen, maar die bereiden zich erop voor. Jeanine wordt hier overvallen door de snelheid, ze is in een achtbaan terecht gekomen waar ze sowieso al nooit alleen had willen instappen, en waar ze nu ook onmogelijk meer uit kan. Drie keer over de kop, met als enige houvast de mobiel aan haar oor. Hoeveel loopings hebben we nog te gaan?
‘Jeanine, hou vol.’
