Goochelaar


Vannacht voelde ik me een goochelaar.
Het kwam niet door de draaiende ventilator die ons koelte toewuifde. Waar bepaalde illusionisten hun blonde haren flink laten wapperen, zat het mijne in een nette knot. Ik had geen toverstafje en riep geen Abracadabra of Wingardium-Leviosa. Ik had slechts een vliezenbreker klaarliggen en fluisterde: ‘Zuchten-Lida-zuchten,’ of: ‘Pers-maar-weer-Lida, goedzo.’ Misschien kwam het door de magie van het zilveren maanlicht, of omdat ik de barende onder een dun blauwwitgestippeld lakentje haar werk liet doen. Af en toe lichtte ik het laken op om de vordering te bekijken. De grote lampen bleven gedimd, en we praatten zachtjes. Zelfs de barende kreunde nagenoeg onhoorbaar, want: de kleine jongen was wakker. Hij zat pontificaal bij zijn vader op schoot, compleet met speen, rode brandweerauto en bruine knuffelbeer. Wakker geworden door ons gestommel midden in de nacht, geen oppas voor handen en dit alles juist rond het tijdstip dat zijn aankomende broertje of zusje tevoorschijn wilde komen.
´Wat kunnen we het beste met Bertwin doen?’ had Lida eerder die nacht gevraagd.
‘Lekker laten slapen,’ was mijn simpele antwoord. Tot hij liefjes om zijn moeder riep. Het roepen dat allengs over ging in huilen en harder huilen, en nog harder huilen met lange uithalen. Lida was niet bij machte om naar hem toe te snellen voor troost. Pappa’s pogingen liepen uit op niets. Zelf bleef ik sowieso buiten beeld, een vreemde aan bed zou de boel alleen maar verergeren.
Oma bellen? Buurvrouw ene kant, andere kant? Respectievelijk: te ver weg: nee kent hij amper, en: op vakantie. ‘Haal hem maar uit zijn ledikantje, we doen net of er niets aan de hand is,’ zei Lida dapper maar vastberaden. Luisteren naar Bertwins gehuil was voor haar slechter te verdragen, dan de inspanning die het zou kosten om geluidloos de pijn te doorstaan.

Het kraambed stond niet op klossen. Om het bed te verhogen lag er op de kraamkant een extra eenpersoonsmatras. Het hoogteverschil tussen berg en dal zorgde dat Bertwin, zonder besef van al het gedoe op de bergtop, op zijn gemakje in het veilige ravijn kon bivakkeren. Pappa zat in een relaxte kleermakerszit samen met peuter, brandweerwagen en beertje. ‘Broembroem, mamma, broem,’ zei Bertwin ietwat slissend vanwege de speen.
‘Ja lieverd,’ mompelde Lida, ‘…altijd-is-Kortjakje-zieeeeeek.’ Vader en zoon wiegden mee op het ritme en hadden geen idee wat zich afspeelde onder het gestippelde goocheldoek.
Lida gaf geen krimp terwijl het kindje uit haar gleed en ik het met een boogje op haar buik liet belanden.
‘Broembroem.’
Toen de baby het op en huilen zette, veerde Bertwin op.
‘Broe-huh-m?’
Hij zag de baby, hief zijn hoofd met een ruk omhoog, liet het speentje uit zijn mond vallen en staarde recht naar boven. Ik volgde zijn blik.
Hij speurde naar een luikje, een gat of een opening en kon het niet bevatten.
Keek weer naar de baby en spiedde nogmaals het plafond van voor naar achter af.
Toen wees hij naar mij.
Ik glimlachte vriendelijk, maakte een kleine buiging en zei: ‘HocusPocusPilatusPas, ik wou dat er een baby was!’


@goochelvroedvrou