Mand!


Er was een grappig tv-item bij de ‘DeWereldDraaitDoor’-filmpjes. Een enthousiaste verzamelaar mocht voor de camera iets vertellen over een antiek voorwerp. Een porseleinen mandje. Hij hield het item met trots omhoog, en er volgde een hele verhandeling over oudheid, herkomst en waarde. De regisseur vroeg of het iets korter kon, en meneer vertelde het nogmaals, maar dan zonder de extra uitweidingen over jaartallen en werktechnieken. ‘Korter!’ zei de stem van de regisseur buiten beeld en ik kreeg het idee dat het arme meneertje een beetje in de maling werd genomen. De antiquair begon braaf weer bij de eerste zin, sprak zo snel als mogelijk, zijn uitleg was bijna niet meer te verstaan. Hij eindigde met : ‘…origineel mandje van Tichelaar.’
‘Korter!’
De regisseur was op dreef.
‘MandjevanTichelaar,’ riep het meneertje.
‘Nog korter!’ scandeerde de regisseur.
Meneer de antiquair liet zich niet van de wijs brengen, keek recht in de camera en riep: ‘MAND!’

Mijn stagiaire is heel correct. Ik luisterde mee tijdens haar uitleg over allerlei verschillende onderzoeken. Vragen werden gesteld, getallen en rekensommen over uitkomsten besproken. Haar toehoorders letten goed op, zij wilden alles weten.
Ik bewonderde de exacte kennis, maar ons spreekuur liep wel een beetje uit.
De volgende zwangere was bijna veertig, zij behoefde de, sinds één januari veranderde, uitgebreide uitleg inzake kansen en mogelijkheden met betrekking tot de gezondheid van haar nog ongeboren kindje. De zwangerschap bleek pril, het hartslagje was zelfs echoscopisch nauwelijks waarneembaar.
‘We hebben een mooie folder,’ fluisterde ik, ‘dan kan ze thuis lezen. Als de zwangerschap is gevorderd, praten we verder.’
Totaal hadden we die dag vijf intakes, met vijf maal de bijbehorende prenatalediagnostiek-counseling.
‘Bij hele prille zwangerschappen vraag ik eerst of ze er iets over willen weten, dan geef ik de folder mee, om alvast na te denken en ik zeg dat we er een volgende keer op terug komen.’ tipte ik nogmaals.
Ariëtte deed haar best om het complete verhaal in steeds kortere versies te brengen. Het lukte redelijk, zeker toen ze me halverwege haar verhandeling per ongeluk aankeek. Ze leek te schrikken en dacht waarschijnlijk: o ja, …korter. Ze pakte het  oranje informatieboekje uit de kast, vervolgens showde ze doodkalm, bladzijde voor bladzijde, wat er zoal te lezen viel.
Ik probeerde niet in slaap te vallen.
Aan het eind van onze ellenlange spreekuurdag, net voor onze allerallerlaatste intake, vroeg ik of ze het, voor deze ene keer, echt kort wilde houden. Het stel in kwestie bleek slechts enkele dagen overtijd, zij hadden zich verrekend in maanden en cyclus.
Ariëtte pakte een informatieboekje van de stapel in de kast. Draaide het aan de punten een keer tussen haar vingers en legde het aarzelend voor zich neer op het bureau. Ze liet het boekje dicht en wachtte een moment.
Drie kwartier zorgvuldig ingestudeerde counselingtechnieken werden samengebracht tot één korte actie.
Haar vlakke hand kwam met een ferme klap neer op de voorkant.
Bam.
Ik was wakker.
‘Uitleg volgende keer!’ wat was ze zei.
MAND met uitroepteken, was wat ik dacht.

 @poldervroedvrou

Kazen Keren




Op stoere hoge laarzen komt ze binnengestapt, de onderste knoopjes van het leren jasje kunnen niet meer dicht, de springerige krullen wat verwaaid. Het staat haar geweldig.
‘Heb je jezelf nu al zwangerschapsverlof gegeven, of werk je nog net zo hard mee?’ vraag ik. Volgens mijn berekeningen resten er slechts twee weken, Mariekes kalender heeft lege bladen. Vorige baby kwam volkomen onverwacht een paar weken te vroeg, dus regelde ze alles in het vore, voor het geval van wederom een vroeggeboorte. Maar deze baby rijpt zijn tijd volledig uit.
‘Ach, ik doe niet zoveel meer deze dagen,’ zegt ze. ‘Ik keer alleen nog de kazen.’
‘De kazen?’ er klinkt een vraagteken in mijn stem.
‘Ja, de kleintjes hoor, die van drie en vijf kilo, de grote van tien doet mijn man.’
Ik probeer me er een voorstelling van te maken, hoogzwanger kazen omdraaien, een bijna voldragen baby in de buik, en bonk-bonk-bonk-bonk keer tien, iedere dag zo’n veertig kazen opbeuren en op de andere kant weer neerleggen.
‘Dan rijpen ze mooier.’
Lang op één kant laten liggen, schijnt de vorm en smaak geen goed te doen. Weer wat geleerd.
Babyhoofdje netjes ingedaald, bloeddruk uitmuntend, hartslagje ritmisch en krachtig.  Met de vlakke hand beklop en betast ik -als was ik een volleerd kaasmeester- de buik en kan vervolgens niets anders dan ons kleine kaasje weer volledig goedkeuren.
‘Fijn.’
Marieke krijgt nog een algemene “Let-je-wel-een-beetje-op-jezelf?”-opdracht van me mee, en ik vertel het verhaal over een andere hoogzwangere boerin, die achter in de stal, pardoes klem zat tussen muur en koe. Haar toestand vanwege de verdubbelde omvang was deze boerin even ontschoten. De koe wilde erlangs, de betonnen muur week niet en...
Boem!
Marieke kent het verhaal, maar in de stal komt ze echt niet meer, verzekert ze me. Alleen die kazen, dat is haar hobby. ‘En dat gaat heus nog prima.'
Met grote stappen beent ze de praktijk weer uit.
Een boerin gunt zichzelf weinig verlof, in en om de boerderij is altijd wel iets te doen. Met bewondering kijk ik haar na.

Twee weken later, exact op haar uitgerekende dag, spoed ik me langs omgeploegde akkers, bemeste velden en groene weilanden. Ik arriveer nipt op tijd. Marieke tref ik overdwars in bed,  neergeploft om niet meer op of om te kunnen. De gekrulde haren zo mogelijk nog wilder als anders. Ze grijpt zich vast in het kussen, alsof ze voorlopig niet van plan is om het los te laten.
'Grrrrrr...' hoor ik en prijs mezelf gelukkig dat ik de koffers meteen heb uitgeladen. Klikklik open, en wat ik nodig heb schud ik uit op het voeteneinde van het bed. 
'Kraampakket?' 
'GRRRRRROnder het bed.'

Zo, alles voor mijn grijpen. We schuiven Marieke op een plastic onderlegger en trekken haar met onderlegger en al recht in bed. Het kussen mag ze vast blijven houden, warme sokken gaan aan, en de onderbox gaat uit. Hoppa.
De boer is in overall en ruikt naar koeienvlaai. Hij was eigenlijk in de stal bij het kalven, maar opeens werd zijn assistentie hierbinnen bevolen. Hij praat me even bij als was hij een oud-collega. Hij herkende alle “persfase”-verschijnselen feilloos. Mijn vlotte verschijnen verbaast hem trouwens enorm, 'Jij bent snel!' zegt hij: 'Laag gevlogen zeker?' Hij schudt zijn hoofd en blaast diep uit. Verbazing met een spoortje opluchting. Ik zie flink opgestroopte mouwen en verneem dat de armen tot ver voorbij de ellenbogen schoon geschrobd zijn. Hij stond zo te zien startklaar om zijn binnenkalfje 'af te halen'.
'Grrrrrr,' klinkt het weer.
Onze kleine kaas is overduidelijk aan zijn laatste draai begonnen. Amper zeven minuten na mijn binnenkomst baart Marieke haar kind. Een zoontje, met goudblonde haartjes en een paar stevige boeren knuisten. Van opa horen we dat in de stal het kalfje geboren is.
Bij terugrekenen, waarschijnlijk ook op exact het zelfde tijdstip.
Baby mag aan de borst, de eerste biestdruppels zijn al te zien, wijs ik aan de boer. Hij herkent het wel, colostrum in mensentaal, het eiwitrijke, calorierijke goed verteerbare kostbare eerste zoogdierenmelk voor pasgeboren zuigelingen. De moederkoek volgt binnen zeven minuten, spontaan, compleet en zonder knoeien. Daar worden verloskundigen blij van.

Ik mag even in de stal kijken. Meestal worden de stiertjes doorverkocht, koekalfjes blijven om op den duur weer zelf te bevallen en aansluitend hun melk te geven. Het kalfje probeert al op te staan, het is fascinerend om te zien. Het is een stierkalf. Hij zoekt naar de uier, die bol staat. Opa helpt hem de speen te vinden.
'Een stiertje,  ja, maar deze hou ik, zo een bijzondere geboortedatum en moment,' zegt de verse vader. Van een goede moeder, goede genen, zal hij als sterke grote bul, later weer voor een goed nageslacht zorgen. Mijn sentimentele burger-ik vindt het hartveroverend. Ah, hij mag blijven.
En ik leer weer iets: Een koeienmoederkoek laat rustig op zich wachten. Opa verdeelt wat vers stro over vruchtwater en bloedvlekken en wij gaan terug naar de kraamkamer.
Het gesprek gaat nu over wegen en schatten. Marieke biecht op dat ze de zwaardere kazen ook nog wel keerde. We wedden over het gewicht van de baby. Ik weeg de baby op de hand en schat hem op een goeie zeven-en-een-half pond. De officiële weging beaamt het: 3720 gram schoon aan de unster.
Als ik een keurmerkstempel had, zou deze boerenzoon hem zondermeer krijgen.
Goedgekeurd!         


@poldervroedvrou


Inparkeren

‘Ik kan het niet…’
‘Nou, kom op zeg, jij kunt een bus van achttien meter in ene keer achteruit inparkeren, dan kun je ook die baby er wel uitpersen. Hoppa!’ Ze kijkt me doordringend aan. Een tikje geërgerd, schat ik in. Ze zet zich schrap, haalt een grote hap adem en perst. Ik zou jou eens wat laten zien, lees ik in haar gedachten. ‘Goedzo, zo ken ik je weer. En gaan.’

De ochtend begon gemoedelijk, met hete koffie, een rondleiding langs papegaaien en speelgoedvrachtwagentjes, lichte weeën en zin in de bevalling.
‘Ze is nog ietsje te vrolijk, het moet heftiger worden, vaker, langer, maar verder, heus, het is zover.’ luidde mijn antwoord op de “Is het nu echt zover?”-vraag. Anastacia verzorgde tussen de krampen door de koffie en schonk voor zichzelf ook een mok vol. Marcos, op zijn beurt, nam de tijd om bij iedere papegaaienkooi een anekdote te vertellen en wees mij in de huiskamer op verschillende prachtig glimmende truckmodellen: ‘Daar heb ik als eerste in gereden,’ of: ‘Die was van Staas.’
Ik hoorde hoe ze elkaar hadden leren kennen, en dat een busritje van Harderwijk naar Walibi enorm saai kan zijn als chauffeuse van een extra-extra-lange harmonicabus.
Eind van de ochtend vertrokken we richting het geboortehuis. We lieten ons verse koffie serveren, Anastacia sloeg deze keer over en we mochten niet teveel grapjes meer maken. Wat een behoorlijk lastige opgave bleek, want er gebeurden best lollige dingen, zo voor, na en zelfs tijdens iedere wee.
‘Daar komt er weer één, ik zie het aan je buik, pak je benen.’
Met moeite grijpt Anastacia naar haar knieholtes, tegen de tijd dat ze in positie is, zakt de wee alweer af. ‘We zijn te laat,’ zegt ze droogjes. ‘Jammer.’ Het klinkt niet of ze het erg meent.
‘Ah, hebben we de bus gemist?’ vraag ik, ‘Hoe vaak rijden die bussen hier eigenlijk?
‘De bus gemist, Staas! Whaaa!’ Marcos ligt bijna onder het bevalbed van het lachen. Anastacia schudt haar hoofd, probeert boos te kijken, maar kan een glimlach niet onderdrukken. Ze kijkt demonstratief op haar horloge en doet een hernieuwde poging haar benen te pakken. ‘Hé, opgelet! Iedere drie minuten! Daar istie alweer, allemaal inchecken!’
‘Gelukkig hebben we er nog eentje die de dienstregeling in de gaten houdt. Laat ons maar kletsen meid,’ en ik help haar door een been te ondersteunen. Marcos doet het zelfde. ‘Levende beensteunen, Staas, wat een luxe, die heb je niet in bus 247 hoor.’
Zo houden we de moed erin.
Meer dan een uur persen we voluit, maar helaas moet ik stilletjes aan erkennen dat deze baby extra hulp nodig heeft bij het inparkeren. Na de volgende halte, de medische verloskamers, vervolgt baby zijn tocht door het baringskanaal met behulp van de gynaecoloog en zijn apparatuur.
We juichen hem naar het eindpunt: in mamma’s armen.
Danny weet zich welkom, hij zal opgroeien in een gezellig nestje omringt door kleurrijke vogels en iedere dag een andere speelgoedvrachtwagen tot zijn beschikking.

@poldervroedvrouw

 

 

 

Sinterklaasavond 1989

 

Tijdens de drie volle weken huispraktijkstage die er ik liep, bevielen vijftien stoere Katwijkse vrouwen onder mijn bezielende leiding. Het woord “leiding” gebruik ik hier relatief, want meestal stond ik erbij en keek ik er naar. Twee jongetjes kozen vijf december als geboortedag en hoewel het speciale van de datum toentertijd geheel aan mij voorbij ging, schep ik iedere Sinterklaasavond graag weer op over het flitsende optreden van de Sint (de verloskundige die mij begeleidde, Janneke Paulusma) en haar hulppietje (de laatstejaars StudentVroedvrouw Marianne) met in de hoofdrol twee leuke surprises. Mijn vervoersmiddel: een mintgroene, tochtende, lekkende, slecht startende Lelijke Eend.
Janneke woonde één straatje achter de boulevard en reed een gouden Renault Fuego 88pk Turbo Diesel, met zijn kenmerkende zwarte streep over de gehele zijkant. Fuego betekent vuur in het Spaans, legde ze uit. ‘Het is de dieseluitvoering dus hij kan niet in de fik.’ Een behoorlijk belangrijk detail, want ze vertelde het me meerdere keren. ‘Mijn vorige auto is finaal uitgebrand. Brrrr!’ Aha, daar zat hem het trauma. Janneke was erg zuinig op haar nieuwe troetelkindje, ze was dol op de gouden kleur en de snelle streep en zijn vijf versnellingen. Met wat passen en meten parkeerde ze hem telkens secuur, met de kont naar achter, in haar garagetje. Het paste net, of eigenlijk net niet. Schuimrubber stroken hingen op strategische plaatsen om beschadigingen te voorkomen. Ik wurmde me door een kiertje op de bijrijderstoel, want verder kon het portier niet open. De oranje binnenverlichting knipperde bij starten, de garagedeur opende Janneke met een afstandsbediening. Ik telde stiekem af en hield mijn adem in.
‘Five, four, three, two, one...  Ignition. ‘
Terwijl de kiepdeur nog niet eens volledig geopend was, drukte ze het gaspedaal al diep in.
Vroeeeeeeeeem.
Het voelde als een lancering. Bij onze eerste uitrit zat mijn hart bovenin mijn keel. (Alle volgende keren kwam hij minstens tot halverwege mijn slokdarm.)  Ze moest namelijk ook meteen een scherpe bocht maken, en ondertussen bliepte ze over haar linkerschouder de garagedeur weer dicht.
Ik dacht: ‘Thunderbirds are go!’ en: ‘Dit wil ik later ook!’
Vooral midden in de nacht had het iets magisch. Op zomerse dagen, vertelde ze, moest ze oppassen geen argeloze toeristen van de sokken te rijden en ze foeterde over de talloze malen dat onnadenkende strandgangers pal voor haar uitrit parkeerden. ‘Zie je de parkeerverbodsbordjes en die roodwitgestreepte paaltjes? Je moet wel stekeblind zijn om die te missen. Onmogelijk!’  Ik was plotseling heel blij dat ik, de allereerste stagedag, mijn Eend niet op dat ene lege plekje had gezet. De badgasten waren er minder genadig van afgekomen, de politie maakte er elke keer snel werk van.
Verloskundige Paulusma kenden ze allemaal.
Het was een grijzige dinsdag, om half vijf werd het al echt donker, de buitenthermometer gaf zeven graden aan en waaien deed het als altijd, daar aan de Zuid-Hollandse kust. Het heerlijk avondje was gekomen, twee telefoontjes tegelijk lieten ons geen keuze, ik wachtte buiten op het openen van de garagedeur, om het wurmmoment te voorkomen, en hoopte dat Janneke mij niet zou vergeten bij het nemen van de bocht. Op naar Lies Varkevisser in de Violierstraat. Ik was de stagiaire, Janneke joeg me voorop de trap op. Lies had bijna vijf centimeter ontsluiting en Janneke vroeg mij of we nog naar Wilma konden.  
Ik schatte in van ja, en we gingen. ‘We zijn zo weer terug,’  riepen we terwijl we de trap afdenderden op weg naar de andere kant van de wijk. Ook het rennen deed Janneke het liefst in de vijfde versnelling. De RenaultFuego spoot door de straatjes met nu het huisje van Wilma van der Plas-van der Plas ten doel. Wilma en Theo woonden aan de Zeeweg en zij verwachtten een vijfde kind, en dat binnen vijf jaar huwelijk.
Op een groot stuk karton had Janneke een indeling getekend van huisnummers en bijbehorende letters van de flats, maisonnettes, rijtjes- en vrijstaande huizen langs de lange Zeeweg die van het binnendorp richting het strand slingerde. Ze graaide naar het karton op de achterbank en gaf het aan mij.
‘Kijk jij eens even Marjan, vanaf de weg is het zo lastig te zien.’ Ik dirigeerde haar kordaat naar nummer 114 E-b. ‘Dat zijn de bovenmaisonnettes, nog meer trappen lopen!’ Janneke moest er van zuchten: ‘Ren jij maar alvast vooruit, hier neem handschoenen mee,’  ik ving en daar ging ik. Mevrouw van der Plas was de enige zwangere die had aangegeven liever geen stagiaire te willen. Terwijl ik de trappen oprende, schoot het me te binnen. Pas inhouden had geen zin, kloppen hoefde niet, de voordeur stond al wagenwijd open en Theo duwde me zonder veel omhaal door, de binnentrap op.  Wilma bevond zich op de bovenetage, ze lag in een vrolijk gebloemde maar iets verkreukte jurk dwars op bed. Neergeploft om niet meer op of om te kunnen. De onderbroek was nog aan. Ik hoorde een ingehouden, maar onmiskenbare persgrom en zag het witkatoenen kruis tussen de benen opbollen, gutsen vruchtwater liepen via de pijpjes af. Ik gooide mijn jas uit, rukte een handschoenenverpakking open, trok de onderbox naar beneden, en de kleine van der Plas werd geboren. Ik maakte mijn excuus omdat ik de bevalling toch had gedaan, ze zei zachtjes: ‘Dat geeft niet hoor,’ maar ze hoopte vooral dat er geen kinderen wakker waren geworden van ons gestommel.

Terug naar de Violierstraat, de Fuego pierewaaide in zijn hoogste versnelling langs de boulevard om met wind mee zo de woonwijk weer in te vliegen. Ook daar vonden we de voordeur open met een handenwrijvende aanstaande vader op de uitkijk, haast was geboden.
Boven wachtte Lies, zij had de onderbroek al uit. Tegenover het voeteneinde van het bed bevond zich en enorme kastenwand van degelijk “Katwijks Eiken”, de middelste schuifdeur had een spiegel. Een spotje verlichtte met een ongezellige felle straal het niet te missen middelpunt van alle consternatie, Lies staarde ernaar via de manshoge spiegel. Een eigroot stukje kaal babyhoofd was te zien tussen haar benen.
‘Ja, ik hoorde de voordeur achter jullie dicht slaan, en tegelijkertijd voelde ik het zakken, ik dacht, ik beweeg me maar niet tot jullie er weer zijn.’ De arme Lies lag dus al drie kwartier krampachtig naar het eitje te staren, biddend en hopend op een ‘Daar wordt op de deur geklopt…’ gevolgd door ons bevrijdende binnenstormen.
Ik maakte mijn excuus over de eerdere beslissing, ze zei zachtjes dat het niet gaf en wachtte bedeesd tot ik mijn handschoenen aanhad.

Het was me het heerlijk avondje wel.
 
 
@poldervroedvrou

 

Kraamverdriet


kindje op moederschoot
Suzanne verwacht de vierde.
Ik volg het op afstand, want ze verhuisde naar de Veluwe.
De uitgerekende datum gaat voorbij, een week, nog een paar daagjes erbij, we grappen via Facebook of ik een keertje langs moet komen.
Tot…
Tot we het bericht lezen over dochtertje Alessia. In een vollemaansnacht van zaterdag op zondag geboren. Alessia Maryse. Prachtige namen, maar ze is stil geboren en wordt vrijdag naar haar laatste plekje gebracht.
Wat?
De wereld staat stil.
Het nieuws is nauwelijks te bevatten.
We horen dat het een heel mooi baby’tje is. Alles er op en eraan.
Het is niet te bevatten.
Ik vraag of ik op kraambezoek mag komen en we spreken een datum af.
Het is een eindje rijden en de gehele weg probeer ik een geschikte openingszin te bedenken. Maar alles klinkt cliché.
Een stevige knuffel blijkt genoeg om mijn ontgoocheling te verwoorden over het ongelofelijke van het verlies van een puntgaaf, voldragen meisje.
De foto’s die ik bekijk, laten het zien. Een compleet gezinnetje, drie blonde koppies kijken naar het zusje, waar zo op de zwart-wit foto aan niets te zien is dat Alessia niet leeft.
Schoppen wil ik, ergens tegenaan. Schudden aan de baby, word wakker, haal adem, leef!
Het helpt allemaal niets.
Ik vraag of ik naar de begraafplaats mag. Suzanne en haar moeder brengen me. We lopen samen naar het plekje, een jonge boom groeit er om nog tot in lengte van dagen over haar heen te buigen voor schaduw en beschutting. Bloempjes van de boom lijken vlindertjes, ragfijne roze elfjes. Suzanne wil een zelfde boompje in haar tuin, ik vind het een mooi idee. We staren naar het pas gedolven stukje aarde.
Daar ligt ze.
Het is helemaal niet te bevatten.
Roze en groenwitte plantjes om haar heen. Windlichten, een olifantje. Alles met elkaar uitgezocht speciaal voor deze dochter. Onder een glazen stolpje een cadeautje, roze strikjes, in al zijn treurigheid mooi en lief. Net als Alessia, mooi en lief, maar omstandigheden, o zo treurig.
Oma vertelt over de olifanten, en hun instinct om samen te rouwen, alle vrouwtjes van een stam. Oma-olifant, oud-tantes, zussen scharen zich rond het droevige moederdier.
Met elkaar.
Zo is het hier ook, oma houdt haar dochter vast. Tante past, terwijl wij hier staan, op de andere kinderen. Het verlies samen dragen.
Maar zo verdrietig als Suzanne is, o het is hartverscheurend, het kost ons moeite om weer terug naar de auto te gaan. Bedenken wat we vanavond zullen eten, of ik moet tanken, en andere banale zaken.
Op de terugweg heb ik hoofdpijn, red het net zonder tanken, en kook iets met rijst. Mijn leven gaat weer door, maar Suzanne is nog niet uit mijn gedachten.
Net als al die andere moeders die een kindje verloren zo rond de geboorte.
Het WAAROM blijft als altijd de grootste vraag.


@poldervroedvrou

Gastcolumn: Stagiaire in Polderdorp

Waar ik nu toch weer ben terecht gekomen, een dorp, zo uitgestrekt… De verloskundige nam me mee langs de landerijen. Na twee uur rijden -ik was ieder gevoel van richting verloren- waren we opeens weer in het dorp, en toen zei ze, dat we slechts een derde van het buitengebied hadden gezien. Maar de vroedvrouwen en zwangeren zijn aardig, ik mocht meteen de eerste keer al mee naar een bevalling al kende de barende mij niet.

De ontsluiting ging onverwacht snel. Na een omslagpunt en een voetbalwedstrijd -Belgie-USA/2-1 in de verlenging- arriveerden wij, de verloskundige en ik, ver na middernacht aan haar bed. Er stond een enorm bad in de hoek van de kamer, jammer genoeg wilde ze niet in bad bevallen. Verder waren er niet veel zitplaatsen, oma ging op de rand van het bad zitten, en wilde ‘zo graag wat doen’ maar de barende was een kei (-harde), zij was, buiten het zwanger zijn,  een fanatiek Kickbokser en ze wilde niks.
Ja, persen.
De verloskundige die de bevalling begeleidde, had in het achterhoofd de pas gespeelde voetbalwedstrijd met verlengingen en gele en rode kaarten. En zo kreeg de uitdrijving hier ook een verlenging toegezegd. Ik dacht: wat een klus… Maar de verloskundige ging stug door met aanmoedigen en coachen. Ik luisterde consequent het hartje na iedere perswee en keek af en toe op mijn horloge.

De bevallende vrouw wilde pertinent niet naar het ziekenhuis, dat was een feit. Nadat de verloskundige een keertje had aangegeven, dat ze ergens een grens moest trekken, ging de vrouw nog harder persen. De verloskundige duwde een paar weeën enorm mee op de buik, en je zag het vorderen. Ik vond het duwen wel een naar gezicht. Op een gegeven moment wilde de verloskundige verdoven om eventueel in te knippen, maar we kwamen niet verder dan het doosje van de verdoving open maken. Opeens stond het hoofdje toch recht voor de uitgang.
De penalty kon genomen worden. De barende haalde de kracht tot uit haar tenen en de vader mocht zijn eigen kindje aanpakken, dat was heel mooi om te zien.
En toen was ze eindelijk bevallen. Wij juichten allen. Achteraf was er zelfs geen enkele hechting nodig, daar juichte de kraamvrouw dan weer om. Ik mocht de injectie gegeven zodat de moederkoek vlot geboren werd. De placentagoden waren ons goed gezind, de koek volgde snel, er was nadien ook weinig bloedverlies.
Opa werd meteen van beneden gehaald. Oma was door het dolle, de kraamvrouw een beetje beduusd, en de jonge vader ook. De verloskundige had rode wangen en enorme dorst. Het verbaasde mij niets. Dus gingen wij beneden iets drinken, daarna mocht ik de baby nakijken. De vervorming van het hoofdje liet zien dat het kindje iets scheef had gelegen in het baringskanaal. Ook dat verbaasde me niet. Maar het uiteindelijke doelpunt was gemaakt. (1-0) Een prachtige dochter. Het huiselijke geluk zo midden in de nacht blijft toch iets onbetaalbaars.

@studentvroedvrou

Koninklijk


'Wilhelmina Victoria.'
‘Dat klinkt heel Koninklijk,’ zei ik. Ze knikte vriendelijk, vertelde voorts dat haar roepnaam gewoon Wilma was en omschreef haar eerste bevalling als vreselijk. Deze maal wenste ze poliklinisch te bevallen met een “eigen” verloskundige aan haar zijde. ‘Eentje die er bij blijft,’ benadrukte ze en ik snapte direct waar de kneep zat.
Koninklijk, was wat ik dacht, bij de manier waarop ze een half jaartje later haar zoontje baarde.

We installeren ons op de verste verloskamer in afwachting van het vorderen der ontsluiting. Wilhelmina kan haar draai in het bed niet goed vinden. Dat vermaledijde verlosbed waarin ze bij haar eersteling uren en uren had gebivakkeerd, vast aan banden en piepende apparaten, met slechts het alarmknopje binnen bereik en een po om op te plassen.
Nee.
Ze wil niet liggen, ze wil niet staan, gracieus wiegt ze tussen nachtkastje en commode op en neer. ‘Doe wat je zelf wilt, we doen of we thuis zijn. Zolang jij het volhoudt, is het prima om te blijven lopen.’ Bij iedere wee houdt ze even halt, sluit de ogen en gebaart haar trouwste onderdaan waar de rug te masseren.
‘Nu worden mijn benen toch wel zwaar…’
Ze bestudeert een reclameposter waarop voorbeelden van alle mogelijke variaties van het geheel verstelbare verlosbed te zien zijn. Hoog, laag, half, voeteneinde omhoog, leuningen schuin, beensteunen recht. Er is keus uit minstens vijfentwintig verschillende posities.
‘Deze wil ik,’ zegt ze beslist en tikt midden op de poster. Daar is te zien hoe je van het bed een stoel maakt: het hoofdeinde volledig rechtop, het voeteneinde zover mogelijk omlaag. We schuiven aan het matras en schikken de kussens. We drukken op de verschillende knopjes van de elektrisch verstelbare delen, en kijken toe hoe het bed transformeert tot een stoel. Wilhelmina neemt plaats. Er trekt een rilling door haar heen, ze laat zich toedekken met een koningsblauwe fleecedeken en de voeten gaan in de steunen. Zo wordt de stoel een troon, en wij mogen op audiëntie.

‘Wilt u nog iets drinken?’ vraagt de verpleegkundige.
Waar de gemiddelde barende met ruim zeven centimeter ontsluiting kotsend en puffend amper een slokje water via een rietje tot zich neemt, schuift Wilhelmina iets rechter op en smakt een paar maal, alsof ze probeert te proeven waar ze nou precies trek in heeft.
‘… euhm, ik zou eigenlijk wel een kopje koffie lusten…’
De verpleegkundige verblikt of verbloost niet, vraagt of ze er suiker en melk in wil en komt even later terug met kop en schotel, een theelepeltje en twee suikertjes.
Wilhelmina heft haar hand ten teken van wachten, -ze zit immers midden in een wee- blaast geconcentreerd uit en draait haar hand vervolgens zo dat ze het kopje kan aanpakken. De wee is afgezakt en haar vingers wiebelen een tikje ongeduldig heen en weer.
‘Jahaa, ik ben er weer hoor, geef maar…’
En ik zweer het, haar koffie dronk ze met de pink omhoog.
Aansluitend werden wij vorstelijk beloond: de voorspoedige geboorte van ons prinsenkind.

 

@poldervroedvrou