Prinses op de Erwt


Kent u dat sprookje waarin een prinses getest wordt of ze werkelijk van Koninklijke bloede is? De aanstaande prins-gemaal stapelde matras op matras op matras, verstopte er een erwtje onder om de gevoeligheid te testen. Alleen een echte prinses zou de hobbel voelen.

En zo trof ik Sarah-Marije.
Boxspring en topper hamburgergewijs opgetast, Sarah-Marije lag er, in opperste paniek haar persweeën weggrommend, boven op. Gemaalskant liet een lege bedbodem zien, kussens en dekbedden pardoes op de grond gekieperd. 
Toen Saar me zag, riep ze: ‘Ik MOET PERSEN!’ Alsof ik dat niet, bij het oprennen van de trap, reeds bemerkt had aan de onmiskenbare oergeluiden die mijn richting en tempo hadden bepaald.
‘Het is goed Saar, euhh Marij, het is goed Sarah-Marije, ik ben er,’ piepte ik licht nahijgend en gooide mijn koffers open.
‘Ligt er een zeiltje op je bed?’ Saar had geen idee. Haar prins wist het evenmin. Hij ging voor me opzoek naar iets ter bescherming van het matras en kwam met grote badhanddoeken terug.
‘Heel goed, maar ook iets met plastic, het kraampakket? Staat dat ergens?’ Prins haalde vertwijfeld zijn schouders op. ‘Kast. Babykamer. Onderin.’ gromde Sarah-Marije tussen haar opeengeklemde kiezen door. ‘Roze kast!’
‘Marie, zal ik je moeder bellen?’ Prins zwaaide zijn mobieltje voor de neus van persende prinses.
Ik vroeg Saar waar ze de kraamzorg van had, ze keek me verdwaasd aan: ‘Dat ben jij toch?’
‘Bel moeder maar, ‘ zei ik tegen Prins, ik kende moeder, het leek me een kordate assistente en ze woonde om de hoek.
Prins en ik wurmden met enige moeite een plastic zeil onder Saar -of was het nou Marie- door, ik dekte het af met een grote koningsblauwe veloursbadhanddoek tegen het kraken, schuiven en plakken. 
Maar onze prinses lag niet lekker.
‘Ik wil staan, mag ik staan,’ en ze stond al naast bed, zakte door haar knieën en perste op de hurken.
Vruchtwater spetterde op het laminaat.
Ik keek eens op de klok. 23:47 was hun telefoontje binnengekomen. Net na middernacht rende ik hier de trap op. Nu klokte ik 00:14 en zag hoe mijn shirt binnenstebuiten zat.
Daar was oma al.
‘Marie, moet jij niet liggen?’
Als een echte koningin-moeder dirigeerde ze haar dochter terug de stapel op. 
We persten uit alle macht. Het kruintje verscheen en de opeenstapeling zakte enorm in. Ik voorzag troubles met de schouders, zeker omdat we een flinke boreling verwachtten en zachte onderleggers over het algemeen weinig ruimte laten voor soepele schouderontwikkelingen.
‘Sarah-Marije, kun je nu, voor de volgende wee begint, op handen en knieën draaien?’
Moeder dacht met me mee en herhaalde mijn vraag op gebiedende wijs: ‘Marie, nu!’
Marie draaide zonder tegensputteren.
En zo werd de dochter geboren. Een kruinligging bleek het, ook wel een sterrenkijkertje genoemd. Alleen, onze Marie baarde natuurlijk niet op haar rug, waardoor er voor deze baby geen enkele ster waarneembaar was.
Die Sarah-Marije, met haar vorstelijke naam, drie matrassen en een topper afgekeurd, een ware prinses. 
Het blozende prinsessenkind noemden ze Jet. 
Lekker kort.

 @Poldervroedvrouw 

Telepathie

Als om half twee in de nacht de dienstmobiel rinkelt, duurt het enkele ogenblikken voordat mijn handelingen gecoördineerd verlopen. Telefoon pakken, aanzetten, spreken, luisteren, begrijpen.
Het is mijn zo gewenste badbevalling die zich aankondigt, mijn benen zwaaien al over de bedrand. Mouwloos T-shirt aan, handen door het haar, bril op en gaan.

Onze aankomend tobbedanseres komt onder de douche vandaan en gaat op bed liggen.
De ontsluiting blijkt ‘pas’ drie en het bad moet nog vol, ik installeer me beneden op de bank.
Voorlopig plan van aanpak; Aangeboden koffie afslaan en mijn prikkende oogjes nog even rust gunnen. Ralph gaat zich bezig houden met vulslangen en warm water.
In de kamer zoemt een vervelende vlieg. ‘Hè, hoor jij niet te slapen, weet je wel hoe laat het is?’ Hij weet het waarschijnlijk niet omdat alle lampen in huis fel branden. Geluiden als het tikken van een grote wandklok en het ruisen van het volstromende bad boven, sussen mij een beetje in slaap.
Ik word weer wakker van de stilte. Het bad is blijkbaar vol. 2:45. Het voelt alsof ik drie uur geslapen heb, in plaats van de luttele drie kwartier. 
‘Kan jij overal slapen?’
Ja dat kan ik, overal en in alle houdingen. 
Wakker blijven, indien gewenst, kan ik trouwens ook, no worry’s.

Ik ga boven polshoogte nemen. Esther ligt op de zij met de handen voor haar gezicht. Ralph zit er naast, iedere wee masseert hij met grote toewijding Esthers rug. ‘Harder,’ klinkt het gesmoord onderuit de keel van Esther. Ik zie aan het verbeten gezicht van Ralph dat hij met zijn power een flinke boom zou kunnen ontwortelen. Voor Esther gaat het blijkbaar niet stevig genoeg.
‘Harder!’
Ondertussen mijmer ik of het tijd wordt voor vliezenbreken.
Het liefst laat ik dat aan de natuur over. Echter, Esther vroeg er al een paar keer om.
‘Vorige bevalling ging het daarna snel.’
Ik weet dat het ontsluiten door aflopend vruchtwater in een stroomversnelling kan komen, alleen verstoren we misschien het natuurlijk verloop. Haar eerste baby draaide verkeerd om, wat Esther op een behoorlijke rits hechtingen kwam te staan.
Ik concentreer me op de weg die de baby richting uitgang maakt.
Pats!
Vruchtwater spuit met grote kracht richting Ralph.
‘Zo!’ zegt Ralph, terwijl hij de natte plekken op zijn broek dept.
‘Tjonge,’ zeg ik, ‘Ik kan telepathisch vliezen breken, hoe vind je die?’
Aan de volgende wee lijkt geen eind te komen. De buik golft. Persweeën.
Opstaan, enkele passen richting bad. Stap-stap-stap. Nu nog erin. Een nieuwe perswee laat Esther door haar knieën zakken. Het zal me toch niet gebeuren dat we vlak voor de eindstreep ons doel niet halen. Kordaat pak ik een been en hijs hem over de badrand, de andere lukt Esther gelukkig zelf en daar duikt ze de warmte in.
‘Laat jij de baby geboren worden?’ vraagt ze me liefjes.
‘Dat kan je zelf,’ fluister ik.
Tobbedansen, gevolgd door de ‘Duik-er-eens-in’-variant.
Lucas wordt te water gelaten.
Door zijn moeder.
Hechtingloos.
Uw vroedvrouw kijkt met blij hart toe.

  @poldervroedvrou


Nog even de was ophangen...


 

 

Mariska is ruim voorbij de helft van het ontsluiten, en Gijs verzet de haspels. De grond boven het uienpootgoed moet namelijk besproeid worden, zodat de groene scheuten hun groei door de zware polderklei richting de zon kunnen maken. Gijs is ergens op het land. Mariska wijst achteloos naar een plek ver weg aan de horizon.
‘Hij zou zo weer terugkomen hoor.’
De bloesem zit net aan de boompjes, en ik laat me uitleggen over de markiesachtige overkappingen rij na rij boven de fruitbomen. ‘Die worden binnenkort uitgeklapt om hagelschade aan de appeltjes te voorkomen.’ Een heel karwei schat ik zo in, maar om binnen het tijdsbestek van één flinke hagelbui je volledige oogst gehalveerd te zien, lijkt me een slecht alternatief.
Meehelpen met zuchten en puffen is hier onnodig, ik zet al mijn benodigdheden klaar, bestel de kraamverzorgster en laat Mariska begaan. Ze gaat trap op en af, en op. Ik hoor hoe de bezigheden soms een minuutje stilvallen, waarna er weer in vol tempo wordt doorgestampt. Wat ze allemaal in haar nesteldranggedachten heeft, weet ik niet, maar ik denk; Goedzo meid, lekker in beweging blijven.
Koffie sla ik af. Ik tap mijn glaasje water zelf, vind een krentenbol in de broodtrommel en installeer me op de bank voor het bijwerken van de visiteagenda. Laat de boeren maar dorsen. Binnen en buiten.
Als ik alles op orde heb, en het bonken op de trap verstomd lijkt, ga ik polshoogte nemen.
Waar is mijn barende?
Niet op haar slaapkamer. Slechts het gespreide bedje, een kraampakket, luiers en kruiken wachten hier geduldig op de dingen die komen gaan. Ik spiek om het hoekje van de badkamerdeur. Niemand. Ik ‘Oehoe!’ richting bovenverdieping. Niks. De bijkeukendeur staat open. Mariska is buiten.
Mijn barende hangt de was aan de lijn.
Bloesembomen in rechte rijen op de achtergrond, blauwe lucht met witte wolken. Kleurige lakens wapperend in de wind. Een stormig dagje. De donkerblonde haren van Mariska waaien mee.
Zo ziet vijf centimeter ontsluiting er uit in de polder.
Ze lacht verontschuldigend naar me. ‘Ja, dit moest nog even hoor.’ Op de drempel puft ze een wee weg en voegt vervolgens licht nahijgend toe dat ze eigenlijk de huiskamer wilde stofzuigen, maar dat leek haar weer vervelend voor mij.
‘Vrouwen met ontsluitingsweeën liggen meestal op bed, in de hand van hun man te knijpen,’ zeg ik gekscherend. Ik kijk op mijn horloge, is die tracktor al in aantocht?
‘Zal ik een warme douche nemen?’
Dan volgen de ontwikkelingen elkaar in razend tempo op. Kraamverzorgende en aanstaande vader arriveren exact op tijd voor de benodigde assistentie. Gijs vangt zijn vrouw op als ze druipend uit de douche stapt. Mariska kermt nagenoeg onhoorbaar: ‘Het is nu heel heftig...’
Ik vang de baby op als Gijs: ‘Daar komt ie!’ roept.
“Ie” blijkt een dame van bijna negen pond. Een dusdanig grote dochter had ze niet eerder gebaard. Buiten wentelen de windmolenwieken onstuimig rond, het droogmolentje draait dapper mee.
Mijn felicitatie: ‘Een struise boerendeerne en je wasgoed alweer zo-goed-als droog!’
Polderpower!

 

@poldervroedvrou

Twister


Asielzoekers
Ruim tien jaar was er een asielzoekerscentrum aan de rand van ons dorp. Al naar gelang de ellende in de wereld, zagen wij daar zwangere vrouwen uit alle verschillende windrichtingen neerstrijken.
Improviseren, geruststellen, handen-en-voetenwerk, tolken en nogmaals geruststellen.
‘Het komt allemaal goed, je bent nu bij een Hollandse verloskundige,’ we vertaalden onze professie in alle mogelijke talen. ‘Geen dokter, geen zuster, iets daartussen in.’
Bij het zien van de ‘Ellende in de Wereld’-anno nu zijn het de zwangeren waar ik als eerste aan denk. Aardbeving in Nepal, waar baar je? Gammele bootjes over de Middellandse zee, als je daar maar geen weeën krijgt. Bombardementen, kapotte steden, uitgestorven desolate plekken, tentenkampen. Ik denk aan oudere mensen en kleine kinderen, het besef van de onmacht en hun verdriet. Maar mijn hart gaat vooral uit naar de aanstaande moeders.
Hoogzwanger en dan?

 Twister
Een dynamische bevalling op Middenoosterse wijze.
Op een nacht vertrok ik met Ammara naar de verlosafdeling. Ze belde tevergeefs naar haar moeder, riep om Allah en probeerde zich over te geven aan dat ietwat eigenwijze vreemde vroedmens. Ze beviel, ik kan wel zeggen, dynamisch. Vol  als ik was van het nachtelijke bevallingsgeweld, trachtte ik later die dag het verloop van het geboorteproces uit te beelden aan een dorpse kraamvrouw: ‘Terwijl een betoverend rond babybolletje met glimmendzwarte krulletjes te zien was in de opening,  had ze opeens haar rechtervoet beet en trok deze pardoes naast haar linkeroor.’ [Ja, neemt u maar even een leespauze om deze actie bij uzelf uit te proberen.] De kraamvrouw in kwestie probeerde het niet omwille van een enkele venijnig trekkende hechting maar riep: ‘Rechtervoet. Linkeroor. Zwart… Het lijkt wel Twister!’
Mijn opa zette vroeger een rijksdaalder in voor het kleinkind dat als eerste een been in de nek legde. Mijn ballerinasouplesse won het vaak van mijn judoënde  broers. ‘Iedere dag een keertje doen, dat komt je later nog wel eens van pas,’ was zijn goede raad. Helaas, tegen de tijd dat mijn eersteling geboren moest worden, was ik al blij de schoenveters te kunnen strikken. Wonderlijk hoe de oerkrachten van Ammara mij terugbrengen naar een spelletje Twister en de rijksdaalder van opa Zuurveld-zaliger.  
Twister, ach ja. Ik joelde de commando’s inderdaad, alleen Ammara verstond mij niet en riep afwisselend om moeder en God.
Ik spoorde de twee dames van vluchtelingenwerk aan: ‘Linkerknie! Rechterknie! Steun geven!’
Meneer keek toe met grote bruine ogen en hoog opgetrokken donkere wenkbrauwen. Zijn blik vloog richting deur. Ik meende aan zijn gezicht af te lezen, dat hij dacht; Al dat vrouwvolk, wanneer komt hier een echte dokter, met een keurige witte jas en een stethoscoop om zijn nek?
Ammara gilde en perste, babydochter gleed uit haar en zette het in canon op een krijsen. Geen schade aan de onderkant constateerde ik. Dat ontlokte Ammara wel een opgelucht glimlachje. De ‘echte dokter’ in Ammara’s thuisland had haar, na de eerste bevalling, met vierentwintig hechtingen moeten repareren.
Met hoeveel hechtingen Ammara’s hart gerepareerd moet? Ontelbare. De eindelijk gelukte telefoonverbinding met moeder maakte heel wat los.

 
@poldervroedvrou

Wortel


Een wonderbaarlijk serene thuisbevalling midden in de nacht. Kalmpjes richting huis, een opkomende zon die me tegemoet straalt en op de radio een toevallig exact passende song. Donna Summer zingt, ik neurie met haar mee. Het zijn momenten om te onthouden. Dan grinnik ik om een wortelanekdote en besef hoe ik belevenissen in allerlei soorten en maten koester.
Naomi is het pientere dochtertje van Renée en Hendrik. Het afgelopen half jaar zag ik hoe Naomi iedere controle die ze met mamma mee kwam iets had bijgeleerd. Eerst bleef ze afwachtend tussen het speelgoed op de grond zitten en zette het pas op een huilen als Renée op de onderzoeksbank ging liggen. De laatste controles stapte ze parmantig rond en deed alsof ze thuis was.
Op de bewuste wortelochtend had ik Herma voor me zitten. Herma diepte een secuur geschrapte wortel op uit een boterhamzakje. Mooi, wij konden praten terwijl zoon Daan zou knabbelen. Daan bekeek de wortel van alle kanten, waarbij ik me voorstelde dat hij zoiets dacht als; hè, das geen sjokola. Hij at zijn wortel dus niet, maar hield hem wel, gedurende de gehele zwangerschapscontrole, onwrikbaar vast. Zichtbaar blij was Daan na afloop. Hij mocht gewoon weer naar buiten. Denkwolkje; oef geen koud stethoscoopgeluister of onverwachts geklop of geprik aan mijn lijf, op naar huis.
In de wachtkamer troffen we in de poppenhoek Renée en dochter Naomi en bij het Bob-de-Bouwermeubeltje stond Daan2, het zoontje van Hidi. De ene Daan(2) keek met openmond naar de andere Daan(1) die mij gedag moest zwaaien van zijn moeder.
Doe maar dahààg naar de babydokter Daan, zwaai maar met je handje,’ moedigde ze aan.
Daan1 aarzelde, de wortel zat hem klaarblijkelijk in de weg.
Het is altijd grappig als peuters, die nog net niet op een dagverblijf of schooltje zitten, wezentjes tegenkomen van hun eigen lengte. Ze kijken naar elkaar alsof ze van een andere wereld komen. De jongetjes bewogen dan ook niet. Als twee cowboys in een shootout.
Welke Daan moet er zwaaien?
Naomi echter overzag de situatie haarscherp, zij handelde razendsnel. In twee stapjes was ze bij Daan1 en snaaide met een rappe beweging de wortel uit het knuistje. Voor we met onze ogen konden knipperen duwde ze de wortel in het openstaande mondje van Daan2 en keek naar mij met een hartveroverende ondeugende grijns. Vervolgens greep ze de verbouwereerde Daan1 resoluut bij de mouw en zwaaide zijn arm stevig heen en weer.
‘Taaie.’
Dat uitgestreken smoeltje erbij was om op te vreten.
'Ja,’ zei Renée, ‘zwaaien.’
Uit de Bob-de-Bouwerhoek kwamen rouwkost-kauw geluiden en ik zei: ’Volgende patiënt.’

 *Ik zeg natuurlijk nooit ‘patiënt’ maar het paste zo geestig in de situatie. En verder; Daan2 werd veertien dagen later grote broer van Jasmine, het was op een woensdagochtend nog voor de koffie. Naomi werd drie dagen daarna grote zus van Thamar, vlak voor de voornoemde memorabele zonsopgang. En zo verbindt mijn brein moeiteloos een wortelmoment aan “The state of Independence” van Donna Summer. ‘Yessss. I know why I am alive!’


@poldervroedvrou
 

Mand!


Er was een grappig tv-item bij de ‘DeWereldDraaitDoor’-filmpjes. Een enthousiaste verzamelaar mocht voor de camera iets vertellen over een antiek voorwerp. Een porseleinen mandje. Hij hield het item met trots omhoog, en er volgde een hele verhandeling over oudheid, herkomst en waarde. De regisseur vroeg of het iets korter kon, en meneer vertelde het nogmaals, maar dan zonder de extra uitweidingen over jaartallen en werktechnieken. ‘Korter!’ zei de stem van de regisseur buiten beeld en ik kreeg het idee dat het arme meneertje een beetje in de maling werd genomen. De antiquair begon braaf weer bij de eerste zin, sprak zo snel als mogelijk, zijn uitleg was bijna niet meer te verstaan. Hij eindigde met : ‘…origineel mandje van Tichelaar.’
‘Korter!’
De regisseur was op dreef.
‘MandjevanTichelaar,’ riep het meneertje.
‘Nog korter!’ scandeerde de regisseur.
Meneer de antiquair liet zich niet van de wijs brengen, keek recht in de camera en riep: ‘MAND!’

Mijn stagiaire is heel correct. Ik luisterde mee tijdens haar uitleg over allerlei verschillende onderzoeken. Vragen werden gesteld, getallen en rekensommen over uitkomsten besproken. Haar toehoorders letten goed op, zij wilden alles weten.
Ik bewonderde de exacte kennis, maar ons spreekuur liep wel een beetje uit.
De volgende zwangere was bijna veertig, zij behoefde de, sinds één januari veranderde, uitgebreide uitleg inzake kansen en mogelijkheden met betrekking tot de gezondheid van haar nog ongeboren kindje. De zwangerschap bleek pril, het hartslagje was zelfs echoscopisch nauwelijks waarneembaar.
‘We hebben een mooie folder,’ fluisterde ik, ‘dan kan ze thuis lezen. Als de zwangerschap is gevorderd, praten we verder.’
Totaal hadden we die dag vijf intakes, met vijf maal de bijbehorende prenatalediagnostiek-counseling.
‘Bij hele prille zwangerschappen vraag ik eerst of ze er iets over willen weten, dan geef ik de folder mee, om alvast na te denken en ik zeg dat we er een volgende keer op terug komen.’ tipte ik nogmaals.
Ariëtte deed haar best om het complete verhaal in steeds kortere versies te brengen. Het lukte redelijk, zeker toen ze me halverwege haar verhandeling per ongeluk aankeek. Ze leek te schrikken en dacht waarschijnlijk: o ja, …korter. Ze pakte het  oranje informatieboekje uit de kast, vervolgens showde ze doodkalm, bladzijde voor bladzijde, wat er zoal te lezen viel.
Ik probeerde niet in slaap te vallen.
Aan het eind van onze ellenlange spreekuurdag, net voor onze allerallerlaatste intake, vroeg ik of ze het, voor deze ene keer, echt kort wilde houden. Het stel in kwestie bleek slechts enkele dagen overtijd, zij hadden zich verrekend in maanden en cyclus.
Ariëtte pakte een informatieboekje van de stapel in de kast. Draaide het aan de punten een keer tussen haar vingers en legde het aarzelend voor zich neer op het bureau. Ze liet het boekje dicht en wachtte een moment.
Drie kwartier zorgvuldig ingestudeerde counselingtechnieken werden samengebracht tot één korte actie.
Haar vlakke hand kwam met een ferme klap neer op de voorkant.
Bam.
Ik was wakker.
‘Uitleg volgende keer!’ wat was ze zei.
MAND met uitroepteken, was wat ik dacht.

 @poldervroedvrou

Kazen Keren




Op stoere hoge laarzen komt ze binnengestapt, de onderste knoopjes van het leren jasje kunnen niet meer dicht, de springerige krullen wat verwaaid. Het staat haar geweldig.
‘Heb je jezelf nu al zwangerschapsverlof gegeven, of werk je nog net zo hard mee?’ vraag ik. Volgens mijn berekeningen resten er slechts twee weken, Mariekes kalender heeft lege bladen. Vorige baby kwam volkomen onverwacht een paar weken te vroeg, dus regelde ze alles in het vore, voor het geval van wederom een vroeggeboorte. Maar deze baby rijpt zijn tijd volledig uit.
‘Ach, ik doe niet zoveel meer deze dagen,’ zegt ze. ‘Ik keer alleen nog de kazen.’
‘De kazen?’ er klinkt een vraagteken in mijn stem.
‘Ja, de kleintjes hoor, die van drie en vijf kilo, de grote van tien doet mijn man.’
Ik probeer me er een voorstelling van te maken, hoogzwanger kazen omdraaien, een bijna voldragen baby in de buik, en bonk-bonk-bonk-bonk keer tien, iedere dag zo’n veertig kazen opbeuren en op de andere kant weer neerleggen.
‘Dan rijpen ze mooier.’
Lang op één kant laten liggen, schijnt de vorm en smaak geen goed te doen. Weer wat geleerd.
Babyhoofdje netjes ingedaald, bloeddruk uitmuntend, hartslagje ritmisch en krachtig.  Met de vlakke hand beklop en betast ik -als was ik een volleerd kaasmeester- de buik en kan vervolgens niets anders dan ons kleine kaasje weer volledig goedkeuren.
‘Fijn.’
Marieke krijgt nog een algemene “Let-je-wel-een-beetje-op-jezelf?”-opdracht van me mee, en ik vertel het verhaal over een andere hoogzwangere boerin, die achter in de stal, pardoes klem zat tussen muur en koe. Haar toestand vanwege de verdubbelde omvang was deze boerin even ontschoten. De koe wilde erlangs, de betonnen muur week niet en...
Boem!
Marieke kent het verhaal, maar in de stal komt ze echt niet meer, verzekert ze me. Alleen die kazen, dat is haar hobby. ‘En dat gaat heus nog prima.'
Met grote stappen beent ze de praktijk weer uit.
Een boerin gunt zichzelf weinig verlof, in en om de boerderij is altijd wel iets te doen. Met bewondering kijk ik haar na.

Twee weken later, exact op haar uitgerekende dag, spoed ik me langs omgeploegde akkers, bemeste velden en groene weilanden. Ik arriveer nipt op tijd. Marieke tref ik overdwars in bed,  neergeploft om niet meer op of om te kunnen. De gekrulde haren zo mogelijk nog wilder als anders. Ze grijpt zich vast in het kussen, alsof ze voorlopig niet van plan is om het los te laten.
'Grrrrrr...' hoor ik en prijs mezelf gelukkig dat ik de koffers meteen heb uitgeladen. Klikklik open, en wat ik nodig heb schud ik uit op het voeteneinde van het bed. 
'Kraampakket?' 
'GRRRRRROnder het bed.'

Zo, alles voor mijn grijpen. We schuiven Marieke op een plastic onderlegger en trekken haar met onderlegger en al recht in bed. Het kussen mag ze vast blijven houden, warme sokken gaan aan, en de onderbox gaat uit. Hoppa.
De boer is in overall en ruikt naar koeienvlaai. Hij was eigenlijk in de stal bij het kalven, maar opeens werd zijn assistentie hierbinnen bevolen. Hij praat me even bij als was hij een oud-collega. Hij herkende alle “persfase”-verschijnselen feilloos. Mijn vlotte verschijnen verbaast hem trouwens enorm, 'Jij bent snel!' zegt hij: 'Laag gevlogen zeker?' Hij schudt zijn hoofd en blaast diep uit. Verbazing met een spoortje opluchting. Ik zie flink opgestroopte mouwen en verneem dat de armen tot ver voorbij de ellenbogen schoon geschrobd zijn. Hij stond zo te zien startklaar om zijn binnenkalfje 'af te halen'.
'Grrrrrr,' klinkt het weer.
Onze kleine kaas is overduidelijk aan zijn laatste draai begonnen. Amper zeven minuten na mijn binnenkomst baart Marieke haar kind. Een zoontje, met goudblonde haartjes en een paar stevige boeren knuisten. Van opa horen we dat in de stal het kalfje geboren is.
Bij terugrekenen, waarschijnlijk ook op exact het zelfde tijdstip.
Baby mag aan de borst, de eerste biestdruppels zijn al te zien, wijs ik aan de boer. Hij herkent het wel, colostrum in mensentaal, het eiwitrijke, calorierijke goed verteerbare kostbare eerste zoogdierenmelk voor pasgeboren zuigelingen. De moederkoek volgt binnen zeven minuten, spontaan, compleet en zonder knoeien. Daar worden verloskundigen blij van.

Ik mag even in de stal kijken. Meestal worden de stiertjes doorverkocht, koekalfjes blijven om op den duur weer zelf te bevallen en aansluitend hun melk te geven. Het kalfje probeert al op te staan, het is fascinerend om te zien. Het is een stierkalf. Hij zoekt naar de uier, die bol staat. Opa helpt hem de speen te vinden.
'Een stiertje,  ja, maar deze hou ik, zo een bijzondere geboortedatum en moment,' zegt de verse vader. Van een goede moeder, goede genen, zal hij als sterke grote bul, later weer voor een goed nageslacht zorgen. Mijn sentimentele burger-ik vindt het hartveroverend. Ah, hij mag blijven.
En ik leer weer iets: Een koeienmoederkoek laat rustig op zich wachten. Opa verdeelt wat vers stro over vruchtwater en bloedvlekken en wij gaan terug naar de kraamkamer.
Het gesprek gaat nu over wegen en schatten. Marieke biecht op dat ze de zwaardere kazen ook nog wel keerde. We wedden over het gewicht van de baby. Ik weeg de baby op de hand en schat hem op een goeie zeven-en-een-half pond. De officiële weging beaamt het: 3720 gram schoon aan de unster.
Als ik een keurmerkstempel had, zou deze boerenzoon hem zondermeer krijgen.
Goedgekeurd!         


@poldervroedvrou


Inparkeren

‘Ik kan het niet…’
‘Nou, kom op zeg, jij kunt een bus van achttien meter in ene keer achteruit inparkeren, dan kun je ook die baby er wel uitpersen. Hoppa!’ Ze kijkt me doordringend aan. Een tikje geërgerd, schat ik in. Ze zet zich schrap, haalt een grote hap adem en perst. Ik zou jou eens wat laten zien, lees ik in haar gedachten. ‘Goedzo, zo ken ik je weer. En gaan.’

De ochtend begon gemoedelijk, met hete koffie, een rondleiding langs papegaaien en speelgoedvrachtwagentjes, lichte weeën en zin in de bevalling.
‘Ze is nog ietsje te vrolijk, het moet heftiger worden, vaker, langer, maar verder, heus, het is zover.’ luidde mijn antwoord op de “Is het nu echt zover?”-vraag. Anastacia verzorgde tussen de krampen door de koffie en schonk voor zichzelf ook een mok vol. Marcos, op zijn beurt, nam de tijd om bij iedere papegaaienkooi een anekdote te vertellen en wees mij in de huiskamer op verschillende prachtig glimmende truckmodellen: ‘Daar heb ik als eerste in gereden,’ of: ‘Die was van Staas.’
Ik hoorde hoe ze elkaar hadden leren kennen, en dat een busritje van Harderwijk naar Walibi enorm saai kan zijn als chauffeuse van een extra-extra-lange harmonicabus.
Eind van de ochtend vertrokken we richting het geboortehuis. We lieten ons verse koffie serveren, Anastacia sloeg deze keer over en we mochten niet teveel grapjes meer maken. Wat een behoorlijk lastige opgave bleek, want er gebeurden best lollige dingen, zo voor, na en zelfs tijdens iedere wee.
‘Daar komt er weer één, ik zie het aan je buik, pak je benen.’
Met moeite grijpt Anastacia naar haar knieholtes, tegen de tijd dat ze in positie is, zakt de wee alweer af. ‘We zijn te laat,’ zegt ze droogjes. ‘Jammer.’ Het klinkt niet of ze het erg meent.
‘Ah, hebben we de bus gemist?’ vraag ik, ‘Hoe vaak rijden die bussen hier eigenlijk?
‘De bus gemist, Staas! Whaaa!’ Marcos ligt bijna onder het bevalbed van het lachen. Anastacia schudt haar hoofd, probeert boos te kijken, maar kan een glimlach niet onderdrukken. Ze kijkt demonstratief op haar horloge en doet een hernieuwde poging haar benen te pakken. ‘Hé, opgelet! Iedere drie minuten! Daar istie alweer, allemaal inchecken!’
‘Gelukkig hebben we er nog eentje die de dienstregeling in de gaten houdt. Laat ons maar kletsen meid,’ en ik help haar door een been te ondersteunen. Marcos doet het zelfde. ‘Levende beensteunen, Staas, wat een luxe, die heb je niet in bus 247 hoor.’
Zo houden we de moed erin.
Meer dan een uur persen we voluit, maar helaas moet ik stilletjes aan erkennen dat deze baby extra hulp nodig heeft bij het inparkeren. Na de volgende halte, de medische verloskamers, vervolgt baby zijn tocht door het baringskanaal met behulp van de gynaecoloog en zijn apparatuur.
We juichen hem naar het eindpunt: in mamma’s armen.
Danny weet zich welkom, hij zal opgroeien in een gezellig nestje omringt door kleurrijke vogels en iedere dag een andere speelgoedvrachtwagen tot zijn beschikking.

@poldervroedvrouw

 

 

 

Hongaarse Badbevalling


 
Zij wenste een thuis-badbevalling, en hij kon niet tegen bloed.
‘Mefrouw, bijforbeeld, iek moest voor die bloednemen, iek zai tegen die frouw, iek moet in die bedje, als iek val, jai kan mai moeielijk van die grond tielen. Geloof mai, iek moet in die bedje.’ De laborante had Bernat niet geloofd, zo’n flinke man. Hij werd wakker in ‘die bedje’, hoe hij er terecht was gekomen was hem onbekend. Dus Bernat Fürdõszülés zou niet mijn steun en toeverlaat zijn bij zijn vrouws bevalling, dacht hij.

Dat juist Angyalka thuis wilde bevallen, en als het even mocht in bad, vond ik opmerkelijk. Alle verloskundigen kennen het verhaal van Agnes Gereb, de Hongaarse vrouwenarts die gevangenisstraf kreeg, omdat ze -op verzoek van ouders- thuis geboortes begeleidde. Hongarije, een EU-land waar thuisbevallen verboden is. Hongarije, het geboorteland van Angyalka, Bernat en hun zoontje Edvard. De kleine Edvard was daar op een zespersoonsziekenhuiszaaltje ter wereld gekomen. In ieder bed een barende-kermende-zwoegende vrouw. Verlosbedjes slechts gescheiden door dunne gordijntjes. Vaders: buiten blijven! (Iets wat Bernat absoluut niet erg vond.) Angyalka had zich alleen gevoeld. Alleen tussen al het bevallingsgeweld om haar heen.

Schatplichtig aan de Hollandse thuisbevalcultuur en voor iedere gezonde zwangere de vrije keuze om zelf de wijze waarop te kiezen, zei ik: ‘Natuurlijk beval jij in bad. Bernat zeggen we eenvoudigweg dat het in Nederland zo moet.’

Op een donkere winteravond spoed ik me met stagiaire Samira richting ház Fürdőszülés. Het huis schittert ons tegemoet, alle lampen aan van zolderraam tot buitenlantaarn. Binnen brandt de kachel. Angyalka vinden we boven in bad, mijn brilleglazen beslaan. Bernat rent van boven naar beneden, naar boven, naar beneden. We geven hem kleine overzichtelijke klusjes. Vuilniszak, Kraamzorg bellen, warme doeken, twee handen vol badspeeltjes ergens anders bergen, Edvard geruststellen. Bezig houden die man.
Bril af, vest en trui uit, ik posteer me in mijn hemd op het toiletdeksel en delegeer klaarzetwerkzaamheden aan Sami. Samira bindt haar springerige lange krullen in een frisse staart, en rolt ook haar mouwen op.
’Itt Jönnek Bernaaaaat!’ Angy’s roep laat Bernat binnenstormen. Ze grijpt zijn hand en laat niet meer los.
Gevangen.
Bernat zakt ontredderd op de badrand, met zijn rug naar haar toe. ’Iek kaike nie!’ Ik geef hem een schouderklop en zeg blij te zijn dat hij er is. Bernat kijkt strak naar de grond en zijn hoofd schudt van nee.
Angyalka houdt haar adem vast, en een prachtige baby glijdt uit haar het water in. Bernat gluurt een miliseconde over zijn schouder en griezelt, zijn hand nog altijd klem in die van zijn vrouw.
’Ain bloodbaad,’ prevelt hij, en dat lijkt ook wel een beetje zo. Gooi een scheutje frambozensiroop in een waterglas, en het waaiert grenzeloos uit.
Angyalka schenkt me de liefste glimlach ooit als ze het kindje op haar borst krijgt. Samira is onze onmisbare assistente, zij mag de navelstreng doorknippen, Bernat laten we vrij.

Opeens ligt de placenta ligt ook in bad, ik vis hem snel uit het water, maar ach, nu wordt het echt tijd dat Angy eruit komt. Eerst het kindje. Een grote badhanddoek hangt klaar op de verwarming, met één vloeiende routinehandeling wikkel ik de baby erin. Hij is schoon, knalroze en krijst lekker. Met een liefjes: 'Je mag zo weer naar je moedertje hoor,' probeer ik hem gerust te stellen, en dan roep ik mijn stagiaire 'hé Sami, hou eens vast.'
Ietwat verbouwereerd staat Samira een tel later met het natte pakketje in haar armen. (Het was onze derde bevalling die dag, en tegelijk ook Samira's derde thuisbevalling, en daarbij meteen ook de allereerste thuisligbadbevalling.)

Bovenop alle ontroering die we vandaag samen al meemaakten, gooit Sami nog een flinke extra schep pardoes op mijn sentimenteel verloskundighart als ze haar verwondering uitspreekt, of eigenlijk meer fluistert.
'O, kijk toch eens, je zal toch maar zo een net-pasgeboren baby in je armen mogen houden,' zegt ze tegen me. Ik geneer me bijna voor de onnadenkende routine waarmee ik de baby inwikkelde en aan haar overhandigde en gun mezelf ook enkele seconden de tijd om te genieten van dit tafereel. De tijd staat even stil in het superkleine hete volle badkamertje. Een stagiaire als Sami omlijst dagen als deze met glimmende gouden randjes. Als ze geen kindje vast zou houden, kreeg ze subiet een flinke knuffel van me.
'Koffie?' roept Bernat van beneden en Angyalka moet nodig uit bad. Pauzeknop uit en we rennen weer door. Angyalka laat zich moederlijk door mij afdrogen en naar haar bed begeleiden. Warme baby terug op de blote buik, dekentje erover en nu mogen we feliciteren.

Toen Bernat ons naderhand uitliet, boog hij zich samenzweerderig naar ons toe. ’Hoeveel moet iek u gefen?’ We snapten hem niet meteen, maar wat bleek: Hongaarse artsen laten zich graag steekpenningen toestoppen om voorspoedige bevallingen te garanderen.
Hij kreeg een gepaste doch stevige hug van me.
’Dit meemaken, man, is onbetaalbaar!’

@ármentesített belvizes mélyföld bába